Aan de rand van het dorp, waar de weg een bocht maakte rond een oude linde, stond het huisje van tovenaar Lambertus Pluis. Het dak hing een beetje scheef. De schoorsteen ook. Volgens Lambertus had een schoorsteen die recht stond gewoon te weinig fantasie.
In de keuken rook het naar thee en geroosterd brood. Zijn grote zwarte hoed hing aan een haak, met de punt tegen het plafond. Elke ochtend zette hij eerst thee, zocht hij daarna zijn bril en keek hij ten slotte op de kalender. Dat deed hij al zevenentachtig jaar in die volgorde. Vandaag vond hij zijn ronde, roze bril in de theepot.
Lambertus Pluis
Dat is alweer een bijzonder frisse thee. Met een uitstekende kijk op de bodem.
Hij droogde de glazen aan zijn mouw, zette de bril op zijn neus en keek boven de haard. Gisteren had daar maandag gestaan. Nu stond er woensdag. Lambertus tilde het kalenderblad op. Hij gluurde erachter. Hij keek zelfs onder het tapijt, want vorige week had hij daar nog een halve donderdag teruggevonden. Maar dinsdag lag er niet.
De wandklok gaf een ontstemd tikje. Buiten streek Pekke de kraai neer op de vensterbank. Hij had het gezicht van Lambertus gezien, en dat gezicht beloofde meestal iets interessants.
Pekke de kraai
Wat is er aan de hand? Brand? Een draak? Heeft de soep weer leren zingen? Zeg niet dat dinsdag verdwenen is. Op dinsdag krijg ik altijd twee koekjes!
Lambertus wees naar de kalender. Maandag ging inderdaad rechtstreeks over in woensdag. Pekke keek achter het blad, precies zoals Lambertus gedaan had, maar vond alleen een spin. Die wilde nergens bij betrokken worden.
De tovenaar trok zijn zwarte jas aan. Hij nam zijn kromme staf en zijn tas met nuttige spullen: een vergrootglas, een appel en een lepel die alleen linksom kon roeren. Als een hele dag zoek was, moest je goed voorbereid vertrekken.
Lambertus Pluis
Kom, Pekke. Een dag verdwijnt niet zomaar. We gaan dinsdag zoeken, voor iemand besluit dat donderdag ook overbodig is.
Pekke de kraai
En mijn koekjes. Vooral die niet vergeten. Zonder dinsdag wordt dit een bijzonder lange week.
Op het dorpsplein leek de hele wereld met het verkeerde been uit bed gestapt. De melkboer had zijn dinsdagronde overgeslagen en stond met twaalf kannen voor een gesloten deur. De schoolmeester droeg zijn woensdagtoetsen onder de arm, maar niemand had het dinsdagse huiswerk kunnen maken.
Voor zijn kraam hield bakker Bas een bakplaat omhoog. Er lagen zwarte klonten op. Eentje rolde naar de rand en bleef daar liggen, zwaar en koppig als een steen.
Bakker Bas
Op dinsdag maak ik rozijnenbrood. Op woensdag bak ik notenkoeken. Maar mijn oven beweert dat het woensdag is, terwijl mijn deeg nog van maandag is! Kijk nu. Steenkool met krenten. Ze zijn wel stevig. Ik heb er zojuist een deur mee opengehouden.
Pekke boog zich over de plaat. Zelfs hij vond het verstandig om voorlopig niet te proeven. Lambertus beloofde de bakker dat ze het zouden uitzoeken. Hoog boven hen klonk een verontwaardigde slag. Daarna nog twee, alsof de toren zijn keel schraapte.
De Klok van het Plein sprak zelden. Ze vond dat haar wijzers meestal duidelijk genoeg waren. Maar vandaag rinkelden de ramen van haar stem. Lambertus nam beleefd zijn hoed af en vroeg wat ze de vorige avond gemerkt had.
De Klok van het Plein
Schandalig. Een dag overslaan zonder eerst de klok te raadplegen! Vlak voor middernacht voelde ik een ruk aan het uurwerk van de week. Alsof iemand een blad uit een boek trok. Ik hoorde een jongen fluisteren: nog één dag, alsjeblieft. Een kleine gestalte, een koperen sleutel. En overal het getik van losse tandwielen.
Lambertus streek langs zijn kin. Tandwielen, een koperen sleutel en een jongen die met de tijd knoeide: dat klonk als Milo Tiktak, de jonge klokkenmaker. Milo kon een uurwerk herstellen met één hand achter zijn rug. Zijn eigen gedachten kreeg hij niet altijd zo gemakkelijk in orde.
Pekke de kraai
Dat klinkt verdacht. En een beetje bewonderenswaardig. Ik kan nog niet eens een ei openmaken zonder beide vleugels.
De klok liet hen vertrekken met een laatste brom: woensdag hoorde pas ná dinsdag. Lambertus zette zijn hoed weer op. Pekke vloog vooruit, langs de fontein en het smalle straatje in. Achter hen zette Bas zijn stevigste broodje tegen de deur. Dat werkte voorlopig uitstekend.
Hoe verder ze liepen, hoe vreemder de tijd zich gedroeg. Een horloge in het gras liep drie minuten achteruit. Een wekker op een muurtje rinkelde zonder ophouden. Zodra Lambertus hem beleefd vroeg ermee te stoppen, rinkelde hij nog een beetje harder.
In een heg hing een half afgescheurd kalenderblad. Pekke trok het los en streek het met zijn snavel glad. Er stond alleen nog Dins op. De rest was verdwenen, net als de dag zelf.
Pekke de kraai
Ha! Een bewijsstuk! Dus we zoeken niet naar een hele dinsdag, maar naar een halve? Dat scheelt werk. Misschien krijg ik dan alvast één koekje.
Bij de fontein blonk iets tussen de stenen. Lambertus bukte moeizaam en raapte een klein koperen tandwiel op. In de rand was een piepkleine M gekrast. Hij draaide het tussen duim en wijsvinger. Het voelde warm aan, hoewel het water van de fontein ijskoud was.
Vorige week had Milo hem trots een uitvinding getoond. Geen gewone klok, maar een toestel om een prachtig ogenblik wat langer te laten duren. Lambertus had de jongen toen gewaarschuwd. Nu keek hij nog eens naar het ontbrekende stukje kalender in Pekkes snavel.
Lambertus Pluis
Dit is uit Milo’s tijdvanger. Ik had hem gewaarschuwd: tijd is geen draadje dat je zomaar uit een trui kunt trekken. Voor je het weet, zit je met losse mouwen. Of met een week waar een gat in zit. Blijf dicht bij mij, Pekke.
Aan het einde van de steeg trok een blauwe schijn over de straatstenen. Achter het raam van Milo’s werkplaats draaiden tientallen wijzers in tegengestelde richtingen. Eén klok stond ondersteboven. Een andere probeerde kennelijk gisteren nog in te halen.
Lambertus klopte. Binnen schoof iets over de vloer, maar niemand antwoordde. Hij duwde de deur voorzichtig open. Pekke hield deze keer zijn grapje voor zich. Dat gebeurde zo zelden dat Lambertus er nog ongeruster van werd.
Milo’s werkplaats stond vol koekoeksklokken, slingerklokken en zakhorloges. Tussen de tandwielen stond één wekker in de vorm van een peer. Midden in de kamer zat Milo op een kruk. Zijn handen zaten zwart van het werken. Naast hem stond een glazen stolp.
Daarin zweefde een kleine blauwe lichtwolk. Soms leek ze op ochtendmist, dan weer op een lint dat zichzelf in een knoop probeerde te leggen. Pekke fluisterde dat ze dinsdag gevonden hadden. Milo knikte zonder op te kijken.
Milo Tiktak
Ik wilde niet dat dinsdag voorbijging. Daarom bouwde ik de tijdvanger. Als ik dinsdag veilig onder glas hield, dacht ik, zou woensdag nooit kunnen beginnen. Maar toen ik de machine aanzette, schoot dinsdag uit de kalender en sprong de hele week vooruit. Ik wilde haar bewaren. Niet laten verdwijnen.
Op de werkbank lag een half ingepakt houten bootje, met een scheef zeil van papier. Ernaast lagen twee potloden en een opgerolde kaart. Lambertus keek van het bootje naar de jongen. Hij vroeg niet waarom Milo zo onvoorzichtig geweest was. Hij vroeg waarom dinsdag zo belangrijk was.
Milo streek met zijn mouw langs zijn neus. Eerst leek het alsof de woorden niet wilden komen. Daarna kwamen ze allemaal tegelijk.
Milo Tiktak
Omdat Noor woensdagochtend vertrekt. Ze verhuist naar een dorp aan de andere kant van het bos. Dinsdag was onze laatste hele dag samen. We zouden een bootje laten varen in de beek, zoals we vroeger deden. We hebben een geheime boom, een geheime groet en een kaart van alle plekken waar we ooit verdwaald zijn. Als ze weggaat, met wie moet ik dan nieuwe plekken ontdekken?
Pekke opende zijn snavel. Hij wilde zeggen dat Milo toch nog een indrukwekkende kraai had. Maar toen zag hij het gezicht van de jongen. Hij sloot zijn snavel weer en schoof alleen een beetje dichterbij.
Lambertus hurkte naast de kruk. Zijn oude knieën kraakten als een kastdeur. Onder het glas schoof de lichtwolk naar de rand, alsof dinsdag ook wilde luisteren.
Lambertus Pluis
Je wilde een fijne dag langer laten duren. Maar door hem op te sluiten, heb je hem juist kwijtgeraakt. De tijdvanger heeft dinsdag dubbelgevouwen, alsof het een blad papier is. Als we haar voorzichtig loslaten, kan de week weer op de goede plek beginnen. Dan krijgen jullie die dag terug. Daarna wordt het woensdag. Ja, jongen. Dat wel.
Milo keek naar het bootje. De gedachte aan een hele dinsdag met Noor maakte hem blij. De gedachte aan de ochtend erna deed nog altijd pijn. Hij trok zijn voeten onder de kruk. In de kamer tikten alle klokken door, ieder op hun eigen onhandige manier. Niemand deed alsof afscheid nemen gemakkelijk was.
Lambertus bleef rustig naast Milo zitten. Buiten streek het blauwe schijnsel langs het raam. De jongen draaide het koperen sleuteltje in zijn hand. Hij had altijd gedacht dat er voor elk probleem een oplossing bestond: een nieuw tandwiel, een kleinere schroef, een veer die je wat strakker opwond.
Maar voor dit probleem vond hij geen gereedschap. Daarom stelde hij de vraag die hij al de hele ochtend had willen stellen.
Milo Tiktak
Ik wil geen afscheid nemen. Kun je niet een spreuk maken waardoor alles blijft zoals het is? Als ik dinsdag terugbreng, is ze straks toch weer voorbij. Dan kan ik toch beter niets doen?
Lambertus Pluis
Ik ken spreuken tegen verkoudheid, tegen natte sokken en zelfs tegen lauwe pap. Maar een spreuk waardoor niemand ooit afscheid hoeft te nemen? Die staat in geen enkel toverboek. Denk eens aan je bootje. Als je het nooit op het water zet omdat je bang bent dat het nat wordt, heb je er dan meer plezier van? Een mooie dag wordt niet mooier door hem op te sluiten. Wel door hem echt te beleven.
Milo streek met één vinger over het papieren zeil. Hij zag de beek voor zich, het riet aan de oever en Noor die altijd beweerde dat zij de beste kapitein was. Als hij hier bleef zitten, kregen ze geen van die dingen terug.
Het verdriet verdween niet. Maar er kwam iets naast te staan: het verlangen om die laatste dag samen te hebben. Milo legde het sleuteltje op zijn open hand.
Milo Tiktak
Ik wil Noor nog vertellen dat ik haar zal missen. En ik wil dat we onze boot toch laten varen. Wil jij me helpen? Ik durf wel, denk ik. Als we het samen doen.
Lambertus legde zijn hand naast die van Milo. Pekke telde af, met een extra lange r bij drie. Samen draaiden ze de koperen sleutel terug.
De stolp ging open. Dinsdag steeg op als een blauwe sliert licht, maakte een kleine pirouette boven Milo’s hoofd en vloog door het raam. Overal in het dorp ritselden de kalenders. Woensdag schoof netjes één plekje op. Dinsdag viel weer op haar plaats. Zelfs de koppige wekker in de steeg hield op met rinkelen.
De ochtend was terug, precies waar hij hoorde. Hoog boven het plein haalde een klok hoorbaar opgelucht adem.
De Klok van het Plein
Dinsdag. Eindelijk. Wat een opluchting voor mijn tandwielen. En laat voortaan iedereen van de volgorde afblijven!
Op het plein staarden de melkboer, de schoolmeester en bakker Bas naar hun kalenders. De melk kon alsnog bezorgd worden. De woensdagtoetsen verdwenen weer in de tas. Bij de bakker werden de zwarte brokken langzaam zacht en goudbruin. De deur zwaaide dicht: het broodje dat haar openhield, was weer eetbaar geworden.
Bas hield er eentje onder zijn neus. Pekke landde zo snel op de kraam dat een duif verontwaardigd moest opschuiven.
Bakker Bas
Het ruikt weer naar dinsdag! Proef maar, Pekke. Deze keer hoef je je snavel er niet voor te verzekeren.
Pekke nam een hap en vergaf de tijd alles. Milo rende intussen met het bootje naar de oude beek. Noor stond er al, met hun opgerolde kaart onder haar arm. Hij vertelde haar over de stolp en de verdwenen dag. Daarna vertelde hij wat moeilijker was: hoeveel hij haar zou missen.
Noor ging naast hem op de oever zitten. Ze bleven even stil. Toen zetten ze het scheve zeil recht, tekenden een sterretje op de romp en lieten het bootje los. Het dreef drie meter, maakte een sierlijke draai en botste tegen een pluk riet. Ze lachten zo hard dat de eenden opvlogen.
Later tekenden ze hun mooiste plekken op de kaart. Milo schreef een brief die Noor pas in haar nieuwe huis mocht openen. Zij beloofde terug te schrijven, ook als er eens weinig bijzonders gebeurd was. Tegen de avond keken Lambertus en Pekke vanaf een muurtje naar de twee vrienden. De dag was bijna voorbij. Voor het eerst vond Milo dat niet hetzelfde als verloren.
Pekke de kraai
Hebben we dinsdag nu helemaal gered? Mooi. Dan blijft er nog één belangrijk probleem over. Mijn tweede koekje. Je hebt dat toch niet voor morgen bewaard? Lambertus! Je hebt toch niet wéér iets aan de tijd gedaan?
Lambertus Pluis
We hebben dinsdag teruggegeven aan iedereen die erin leeft. En nee, Pekke. Ik heb niets aan de tijd gedaan. Alleen aan de koektrommel. Kijk maar in mijn jaszak. Voorzichtig: de lepel roert nog altijd linksom.
De volgende ochtend werd het woensdag. Noor vertrok. Milo wuifde tot hij haar niet meer kon zien. Het deed een beetje pijn, precies zoals hij gevreesd had. Maar in zijn jaszak zat de kaart van hun geheime plekken. Onder de linde bleef hij even staan en koos welke plek hij in zijn eerste brief zou beschrijven.
Op zijn werkbank lag die avond alweer een nieuw bootje. Eentje met ruimte voor twee brieven. De tijdvanger stond op een hoge plank, met de sleutel eruit. Sommige dingen hoefde Milo niet nog eens te proberen.
En zo leerde het dorp iets belangrijks: een fijne dag hoeft niet eeuwig te duren om voor altijd bij je te blijven. Al vond Pekke nog steeds dat dinsdag best twee keer per week mocht komen. Vooral wanneer er rozijnenbrood was.
Einde