Halte 11 van 12
Joosyne Luycx
Eekhoekstraat 23, 9270 Laarne
Joosyne Luycx was 53 jaar oud toen zij als laatste van de zes beschuldigden in de Laarnse heksenprocessen terechtkwam. Ze was de dochter van Jan Luycx, landbouwer en koster in Laarne. Zelf was ze gehuwd met Adriaen Schaepmeesters, een redelijk bemiddelde schapenboer. Joosyne trad soms op als vroedvrouw. Ze behoorde dus niet tot de allerarmsten van het dorp en had, belangrijk voor wat later zou gebeuren, een echtgenoot die haar actief verdedigde.
Haar naam was al gevallen tijdens de verhoren van Paesschyne Neyts, Joosyne Celis, Janne Callens en Willemyne Sveermans. Zij beweerden dat Joosyne aanwezig was geweest op bijeenkomsten van heksen. Op 1 oktober 1607 werd ze daarom aangehouden en opgesloten in de gevangenis van het Kasteel van Laarne.
Vanaf het eerste verhoor ontkende Joosyne alles.
De beul onderzocht haar lichaam en meende drie duivelstekens te vinden. In andere processen was zo'n vaststelling vaak de volgende stap richting foltering. Maar deze keer gebeurde er iets anders. Haar man Adriaen Schaepmeesters schakelde vrijwel meteen een rechtsgeleerde procureur in om haar te verdedigen.
Die verdediging pakte de zaak grondig aan. De procureur wees erop dat Joosyne in Laarne bekendstond als een goede, eerlijke en katholieke vrouw. Hij betwistte de betrouwbaarheid van de verklaringen tegen haar en stelde dat sommige vrouwen die haar beschuldigden zelf onder zware druk en foltering hadden bekend. Hij wees ook op fouten bij het onderzoek van de zogenaamde duivelstekens.
Joosyne kreeg bovendien de kans om getuigen in haar voordeel te laten spreken. Zelfs Jan Schatteman, de pastoor van Laarne, stelde een schriftelijke verklaring op waarin hij bevestigde dat zij een goede katholieke parochiaan was. Nog belangrijker was een verklaring van de griffier van Destelbergen. Die stelde dat Janne Callens vlak vóór haar executie haar beschuldiging tegen Joosyne had ingetrokken.
Dat maakte haar proces uitzonderlijk.
De gespecialiseerde heksenadvocaten in Gent bekeken uiteindelijk het volledige dossier. Vijf van de zes advocaten vonden dat Joosyne moest worden vrijgelaten. Slechts één vond dat ze alsnog gefolterd moest worden. Het Leenhof van Laarne volgde de meerderheid.
Op 20 maart 1608, na bijna zes maanden gevangenschap, werd Joosyne Luycx vrijgesproken. Ze moest wel de gerechtskosten betalen, maar ze ontliep zowel de foltering als de brandstapel.
Haar verhaal maakt pijnlijk duidelijk hoeveel verschil geld, steun en juridische verdediging konden maken. De andere vrouwen hadden meestal nauwelijks middelen om zich te verdedigen. Joosyne had een echtgenoot die achter haar bleef staan, een procureur die de zwakke plekken in het dossier blootlegde en getuigen die bereid waren voor haar op te komen.
Van de zes mensen die in Laarne van hekserij werden beschuldigd, was zij uiteindelijk de enige die volledig werd vrijgesproken.
Niet omdat de beschuldigingen tegen haar noodzakelijk minder ernstig waren, maar omdat ze de kans kreeg om ze daadwerkelijk te laten onderzoeken en te weerleggen.