Halte 3 van 12
De Kerk
Dorpsstraat, 9270 Laarne
Leenhof van Laarne
De heksenprocessen van Laarne werden gevoerd door het Leenhof van Laarne. De heer van Laarne, Charles van Zuylen, bezat de plaatselijke rechtsmacht. Zijn baljuw trad op als vervolgende gerechtsofficier, terwijl het Leenhof de zaak behandelde. Omdat hekserijzaken juridisch bijzonder zwaar wogen, werd op belangrijke momenten advies gevraagd aan gespecialiseerde advocaten van de Raad van Vlaanderen in Gent. Het Leenhof volgde dat advies doorgaans.
De verhoren en folteringen gebeurden in en rond het kasteel, maar de rechtspraak had ook een openbaar karakter. Een vierschaar was de plaats waar een plaatselijke rechtbank officieel recht sprak. Zulke zittingen en vooral het uitspreken van zware vonnissen gebeurden bewust zichtbaar voor de gemeenschap. Rechtspraak moest niet alleen bepalen wat er met de beschuldigde gebeurde, ze moest ook tonen dat het gezag daadwerkelijk werd uitgeoefend.
Dat verklaart waarom een plek bij het dorpscentrum en de kerk daarvoor zo belangrijk kon zijn. De kerk was in een dorp als Laarne een centraal herkenningspunt waar veel inwoners samenkwamen. Een vonnis dat daar in het openbaar werd afgekondigd, kon door een groot deel van de gemeenschap worden gehoord. De aanwezigheid bij de kerk betekende dus niet dat de Kerk zelf de heksen veroordeelde. De vervolging in Laarne was in de eerste plaats wereldlijke rechtspraak, uitgevoerd door de heer, zijn baljuw en het Leenhof. Ook hedendaags historisch onderzoek benadrukt uitdrukkelijk dat de Kerk niet de drijvende kracht achter de Laarnse processen was.
Voor Paesschyne Neyts en Joosyne Celis eindigde die rechtsgang op 11 september 1607 met een doodvonnis. Daarna werden zij naar het galgenveld van Laarne gebracht en op de brandstapel terechtgesteld. De uitspraak van een vonnis en de eigenlijke executie waren dus twee verschillende momenten en gebeurden niet noodzakelijk op dezelfde plaats.
De uitspraak
Hier hoor je een korte historische hercreatie van hoe zo’n openbare uitspraak geklonken zou kunnen hebben. Het is geen letterlijk bewaard vonnis, maar een reconstructie op basis van de rechtspraak uit die tijd. Zo ongeveer kregen deze beschuldigden, vaak na zware verhoren en foltering, te horen welk lot hen wachtte.
Ghy, die hier voor ons staet, zijt beschuldigd van de snoodste ende gruwelijckste tooverije.
Dat ghy u hebt ingelaten met den boosen viant, hem gehoorsaem zijt geweest ende u met andere verdachten des nachts hebt begeven tot verboden vergaderingen.
Dat door uw toedoen menschen ende beesten zijn gekweld, ziek geworden ende schade hebben geleden.
Dat ghy, niettegenstaande de getuigenissen tegen u, hebt gelogen, ontkend ende getracht de waerheyt voor dit gerecht verborgen te houden.
Doch uw misdaden zijn voor dit Leenhof gebracht.
Uw woorden zijn gehoord.
De getuigen zijn gehoord.
En het oordeel is geveld.
Daarom veroordeelt dit Leenhof u tot den dood.
Ghy zult van hier gevoerd worden naar de plaetse patibulaire, alwaar ghy aan den staek zult worden gesteld ende metten viere verbrant, totdat de dood erop volgt.
Dat uw straf een exempel zij voor allen die zich met zulke duivelsche ende verboden kunsten zouden willen inlaten.
Aldus geoordeeld.
God hebbe genade met uwe ziele.