← De heksen van Laarne

Halte 7 van 12

Lieven Lammens

Voor Lieven Lammens stoppen we hier omdat zijn exacte woning vandaag niet met zekerheid gekend is. We weten wel dat hij een redelijk welgestelde landbouwer uit Laarne was. De landelijke omgeving van de Bergstraat, met akkers en verspreide hoeves, sluit daarom goed aan bij de wereld waarin hij leefde, zonder te doen alsof dit zijn exacte woonplaats was.

Bergstraat, 9270 Laarne

Bekijk het van dichtbij

Lieven Lammens was de enige man die tijdens de grote heksenprocessen van Laarne in 1607 werd vervolgd. Hij was toen ongeveer 41 jaar oud en paste helemaal niet in het typische beeld van de arme, oudere vrouw die vaak als heks werd beschuldigd.

Lieven was een redelijk welgestelde landbouwer uit Laarne. Hij kon lezen en schrijven, kende wat Latijn en was zelfs meerdere keren schepen van Laarne geweest. Zijn gezin had personeel in dienst. Zijn vrouw beschikte over twee meiden en zelf deed Lieven soms beroep op een werkman. Hij was bovendien de halfbroer van Willemyne Sveermans, die eveneens van hekserij werd beschuldigd.

Zijn naam dook op tijdens de verhoren van Paesschyne Neyts en Joosyne Celis. Op 1 september 1607 werd Lieven samen met Willemyne aangehouden en naar het Kasteel van Laarne gebracht. Hij ontkende de aantijgingen van bij het begin. Later beschuldigde ook Janne Callens hem van toverij.

De verhalen tegen hem waren typisch voor die periode. Lieven zou mensen en dieren hebben betoverd en zelfs hebben laten sterven. Zo werd verteld dat een paard stierf nadat Lieven het had aangeraakt. Zijn verdediging wees erop dat het dier evengoed een natuurlijke dood kon zijn gestorven. Ook het feit dat zijn moeder vroeger van toverij verdacht was geweest, werd tegen hem gebruikt.

Toen de Gentse beul Boudewijn Waelspeck zijn lichaam onderzocht, wees hij twee plekken aan als zogenaamde duivelstekens. Lieven hield vol dat het gewoon littekens van oude zweren waren. Zijn familie liet daarop iets uitzonderlijks doen: ze haalden een medicus en een chirurgijn uit Gent voor een tegenonderzoek. Beide mannen verklaarden dat de plekken wel degelijk gevoelig waren en dus niet als duivelstekens konden worden beschouwd.

Lieven besloot zich ook juridisch te verdedigen en nam een procureur onder de arm. Die wees op tegenstrijdigheden, procedurefouten en zwakke getuigenissen en vroeg zijn vrijlating. De baljuw herstelde echter enkele procedurefouten en het proces ging verder. Lieven bleef opgesloten. Uiteindelijk stopte hij met zijn verdediging omdat hij er niet nog meer geld aan wilde uitgeven.

Op 15 oktober 1607 begon zijn eerste zware ondervraging. Lieven moest de waakproef ondergaan en mocht niet slapen. De beul bond koorden rond zijn duimen en trok die hard aan. Drie dagen en drie nachten werd hij gefolterd. Volledig uitgeput bekende hij uiteindelijk de beschuldigingen. Maar zodra de foltering voorbij was, trok hij zijn bekentenis opnieuw in.

Daarop werd hij op 21 oktober opnieuw gefolterd. Opnieuw bekende hij onder de druk. En opnieuw trok hij zijn verklaring de volgende dag in.

Lieven verdween daarna opnieuw in de kasteelgevangenis. Toen zijn proces maanden bleef aanslepen, nam hij zelf initiatief en vroeg hij om eindelijk een beslissing. Hij beschuldigde de beul van geldzucht en valsheid en klaagde ook over de suggestieve verklaringen van de baljuw, griffier en cipier.

Uiteindelijk werd Lieven naar het Gravensteen in Gent overgebracht voor een derde en laatste foltering, ditmaal in aanwezigheid van de gespecialiseerde heksenadvocaten. De beul bond koorden rond zijn borst, buik en benen en legde een natte doek over zijn mond.

Maar deze keer bekende Lieven niets.

Dat redde zijn leven.

Hij werd niet vrijgesproken, maar ook niet naar de brandstapel gestuurd. Lieven Lammens werd veroordeeld tot tien jaar verbanning uit Vlaanderen. Na die tien jaar keerde hij daadwerkelijk terug naar Laarne. Hij overleed er uiteindelijk op 16 augustus 1636.

Zijn verhaal is uitzonderlijk binnen de Laarnse heksenprocessen. Lieven had meer geld, opleiding, familiehulp en juridische mogelijkheden dan veel van de andere beschuldigden. Maar zelfs dat beschermde hem niet tegen maandenlange gevangenschap en drie folteringen.

Wat hem uiteindelijk van de brandstapel redde, was bijzonder eenvoudig en tegelijk verschrikkelijk moeilijk: bij de derde foltering bleef hij ontkennen.