← De heksen van Laarne

Halte 9 van 12

Passcheyne Neyts

Woonomgeving Passcheyne Neyts, Heirweg De historische bronnen plaatsen herberg De Roscam, waar Passcheyne met haar man woonde, aan de noordzijde van de toenmalige Heirweg. Het exacte perceel is niet met zekerheid gekend, dus deze kruising/omgeving is historisch verdedigbaar zonder te doen alsof we haar exacte huis kennen.

Dendermondse Steenweg / Heirweg, Laarne, Dendermonde, Oost-Vlaanderen, Vlaanderen, 9270, België

Bekijk het van dichtbij

Passcheyne Neyts was ongeveer 51 jaar oud toen haar leven in 1607 volledig ontspoorde. Ze was de dochter van Pauwel Neyts en had een tijd in Zuiddorpe, in Zeeuws-Vlaanderen, gewoond. Rond 1585 verhuisde ze naar Laarne. Daar trouwde ze met Pieter Tweecruys, die in 1591 herberg De Roscam kocht, aan de noordzijde van de Heirweg.

Haar leven was allesbehalve gemakkelijk. Volgens de lokale historische reconstructie dronk Pieter zwaar en mishandelde hij haar geregeld. Bij één mishandeling zou Passcheyne zo zwaar gewond zijn geraakt dat ze haar rechterarm nadien niet meer goed kon gebruiken. In 1605 nam haar man dienst in het leger en bleef zij achter met verschillende kinderen en weinig bestaansmiddelen. Daarbovenop brandde haar woning tijdens de oorlogsomstandigheden twee keer volledig af.

Passcheyne was dus tegen 1607 een vrouw die al veel had verloren. En dan kwam haar naam terecht in een heksenproces.

Op 16 augustus 1607 werd in Overmere Maeyken van Cutsenroeye wegens hekserij terechtgesteld. Tijdens haar ondervragingen had zij de namen van Janne Callens en Passcheyne Neyts genoemd als zogenaamde toveressen uit Laarne. De informatie bereikte baljuw Jan Schepens en het Leenhof van Laarne. Kort daarna werden Janne, Passcheyne en ook Josyne Celis aangehouden en opgesloten in de kelders van het Kasteel van Laarne. Alle drie ontkenden de beschuldigingen.

Toen Janne Callens enkele dagen later uit haar cel wist te ontsnappen, richtte het onderzoek zich volop op Passcheyne en Josyne Celis. Getuigen werden gehoord en hun verklaringen werden naar de gespecialiseerde juristen van de Raad van Vlaanderen in Gent gestuurd. Die gaven toestemming om beide vrouwen te onderzoeken op zogenaamde duivelstekens en hen vervolgens onder tortuur te verhoren.

Op 29 augustus 1607 kwam de Gentse stadsbeul Boudewijn Waelspeck naar Laarne. Bij Passcheyne meende hij vier zulke tekens te vinden. Daarna begon de foltering. Ze moest wakker blijven naast een hoog oplaaiend vuur. Volgens de historische reconstructie kreeg ze daarbij een halsband met scherpe pinnen, die zo was vastgemaakt dat bewegen of indommelen pijn veroorzaakte. Na één nacht en één dag hield Passcheyne het niet meer vol en begon ze te bekennen.

De verhalen die daarna in haar proces terechtkwamen, klinken vandaag bijna onvoorstelbaar. Volgens haar uiteindelijke vonnis zou de duivel haar ooit zijn verschenen in de gedaante van een kalf. Dat dier zou haar een appel hebben gegeven die ze aan een vrouw moest aanbieden. Nadat die vrouw ervan gegeten had, werd ze ziek en stierf ze later. Passcheyne zou ook beweerd hebben dat dezelfde duivel haar later opnieuw bezocht toen haar man weg was en zij alleen zat met haar kinderen en haar ellende.

In de bekentenis kreeg die duivel zelfs een naam: Hans Drinkt Uit. Passcheyne zou volgens het proces ook poeder hebben gekregen waarmee ze anderen kon betoveren en zou ze 's nachts bijeenkomsten met duivels hebben bezocht. Zulke verklaringen werden uiteindelijk door de rechtbank gebruikt als bewijs tegen haar. Maar ze kwamen pas nadat zij urenlang was wakker gehouden en gefolterd.

Op 1 september moest Passcheyne haar verklaringen buiten de folterkamer opnieuw bevestigen. Daardoor konden ze juridisch tegen haar worden gebruikt. Tijdens haar verhoren noemde ze ook andere namen. Zo droegen haar bekentenissen mee bij aan de arrestatie van Willemyne Sveermans en Lieven Lammens. De heksenvervolging begon zo als een sneeuwbal door Laarne te rollen.

Voor Passcheyne was het lot toen vrijwel bezegeld.

Op 11 september 1607 sprak het Leenhof van Laarne haar doodvonnis uit. Diezelfde dag werd ook Josyne Celis veroordeeld. Beide vrouwen werden naar het galgenveld van Laarne gebracht en daar door de Gentse beul op de brandstapel terechtgesteld.

Passcheyne werd dus niet veroordeeld omdat men vandaag enig bewijs heeft dat zij werkelijk aan hekserij deed. Wat we hebben zijn verhalen van getuigen en vooral bekentenissen die tijdens en na zware foltering werden afgelegd. Haar proces toont vooral hoe gevaarlijk een slechte reputatie, armoede, tegenslag en een beschuldiging in 1607 konden worden.

Ze was geen sprookjesheks met een bezem en een puntmuts. Ze was een vrouw van 51 jaar, moeder van verschillende kinderen, achtergelaten door haar man, tweemaal haar woning kwijtgeraakt en uiteindelijk gevangen in een rechtssysteem dat haar nauwelijks nog een uitweg liet.