← De heksen van Laarne

Halte 8 van 12

Joosyne Celis

Voor Joosyne Celis stoppen we hier omdat de historische bronnen haar woonplaats situeren in het Mageret, ter hoogte van het huidige Klein Gent in Beervelde. Haar exacte huis bestaat niet meer of is niet met zekerheid gekend, maar deze plek brengt ons wel dicht bij de omgeving waar ze leefde met haar man en haar dagelijkse werk deed. Daarom vertelt haar verhaal hier niet alleen over haar proces, maar ook over het gewone leven dat eraan voorafging.

Klein Gent 18, 9080 Beervelde, België

Wie was Joosyne Celis
Wie was Joosyne Celis

Wie was Joosyne Celis

Hier, in het vroegere Mageret, woonde Joosyne Celis samen met haar man, Matheus De Wullemakere. Het Mageret lag ongeveer ter hoogte van het huidige Klein Gent in Beervelde. Over haar jeugd weten we bijna niets. De bronnen vertellen wel dat ze de dochter was van Lieven Celis, dat ze getrouwd was en dat het gezin weinig middelen had. Joosyne verdiende wat geld door garen te spinnen. Sommige lokale historische bronnen vermelden ook dat ze als vroedvrouw bekendstond. Wat we vooral uit de processtukken leren, is dat ze tot de armere inwoners van de streek behoorde.

In de zomer van 1607 veranderde haar leven volledig. De heksenvervolging in Laarne was toen pas echt op gang gekomen. Een vrouw uit Overmere, Maeyken van Cutsenroeye, had vlak voor haar terechtstelling de namen van Janne Callens en Paesschyne Neyts genoemd. De informatie bereikte het Leenhof van Laarne en op 18 augustus 1607 werden Janne Callens, Paesschyne Neyts én Joosyne Celis ondervraagd. Alle drie ontkenden ze de beschuldigingen. De bewaarde bronnen maken niet helemaal duidelijk waarom Joosyne precies op dat moment in het onderzoek werd betrokken, maar vanaf die dag zat ze mee gevangen in de maalstroom van de Laarnse heksenprocessen.

Joosyne werd opgesloten in de gevangenis van het Kasteel van Laarne. Daar begon het gerechtelijk onderzoek. Getuigen uit de omgeving brachten verhalen naar voren over mensen die na contact met haar ziek zouden zijn geworden. Ze werd ervan beschuldigd een man te hebben doen sterven nadat ze over zijn been had gewreven en anderen door aanraking te hebben betoverd. In het uiteindelijke doodvonnis worden onder meer twee vrouwen genoemd. Joosyne zou Looynne Maerschalck op de schouders hebben aangeraakt, waarna die lange tijd ziek zou zijn geweest. Een andere vrouw, de echtgenote van Jan Ackerman, zou ziek geworden zijn nadat Joosyne haar kleding en arm had aangeraakt. Volgens het vonnis zou Joosyne haar later opnieuw hebben aangeraakt en gezegd hebben dat het nu beter zou gaan, waarna de vrouw inderdaad herstelde. Voor de rechters was zelfs dat herstel geen bewijs van onschuld. Het werd juist mee opgenomen in het verhaal dat Joosyne over bovennatuurlijke macht beschikte.

Joosyne bleef de aantijgingen ontkennen. Maar het Leenhof vroeg advies aan de speciaal aangestelde heksenadvocaten van de Raad van Vlaanderen in Gent. Zij adviseerden dat Joosyne onderzocht mocht worden op zogenaamde duivelstekens en dat ze onder tortuur mocht worden verhoord. De Gentse beul Boudewijn Waelspeck onderzocht haar lichaam en meende twee zulke tekens te vinden. In die tijd kon een moedervlek, litteken of ongevoelige plek op het lichaam worden geïnterpreteerd als een teken dat de duivel iemand had gemerkt. Voor Joosyne betekende die vaststelling dat de weg naar foltering openlag.

Op 31 augustus 1607 begon haar zogenaamde scherpe ondervraging. Joosyne werd voor een groot, laaiend vuur gezet en men verhinderde haar om te slapen. Dit was de zogenaamde waakproef. Ze riep Onze-Lieve-Vrouw en de heiligen aan en probeerde afstand te nemen van alles wat met de duivel werd geassocieerd. Toch ging de ondervraging door. Na enkele uren brak ze.

Vanaf dat moment beginnen de processtukken verhalen te bevatten die vandaag onmogelijk als vrijwillige en betrouwbare verklaringen kunnen worden gelezen zonder rekening te houden met de omstandigheden waarin ze tot stand kwamen. Onder foltering bekende Joosyne verschillende dingen die ze voordien had ontkend. Ze bleef zelfs toen sommige onderdelen weigeren. Zo ontkende ze aanvankelijk dat ze een pact met de duivel had gesloten. De volgende dag moest ze haar verklaringen buiten de foltering opnieuw bevestigen. Dat was juridisch belangrijk. Een bekentenis die onder tortuur was afgelegd, moest nadien zonder foltering worden herhaald om als geldig te gelden.

In haar uiteindelijke vonnis lezen we wat de rechters vervolgens als waarheid aanvaardden. Joosyne zou ongeveer tweeënhalf jaar eerder bezoek hebben gekregen van een duivel die zich voordeed als een lange man, rood en blauw gekleed, met een opvallende hoed. Hij zou zich Daneel hebben genoemd. Volgens de bekentenis zou hij haar hebben gemerkt op haar gezicht en tussen haar schouderbladen. Ze zou met hem naar nachtelijke bijeenkomsten zijn gegaan waar gegeten, gedronken en op fluitjes gespeeld werd. Die bijzonder kleurrijke beschrijving kwam terecht in het officiële doodvonnis. Maar ze kwam er pas nadat Joosyne urenlang was gefolterd.

Tijdens die verhoren werden ook andere namen genoemd. Zo kwamen Willemyne Sveermans en Lieven Lammens in beeld. Op 1 september werden zij aangehouden en eveneens in het kasteel opgesloten. Joosyne en Paesschyne werden later met hen geconfronteerd. Willemyne en Lieven ontkenden de beschuldigingen, maar Joosyne en Paesschyne bleven bij de verklaringen die na hun eigen foltering waren afgelegd. Zo werd de ene beschuldiging telkens de aanleiding voor een volgende arrestatie.

Voor Joosyne was er nauwelijks nog een weg terug.

Op 11 september 1607, amper enkele weken nadat ze voor het eerst was ondervraagd, werd haar vonnis uitgesproken. Dat gebeurde niet stilletjes in het kasteel. Het vonnis vermeldt uitdrukkelijk dat het werd uitgesproken in de vierschaar bij de kerk van Laarne, in aanwezigheid van baljuw Jan Schepens en de mannen en schepenen van het Leenhof. De rechters verklaarden dat de feiten bewezen waren door haar bekentenissen, zowel tijdens als na de foltering, en door de andere verklaringen in het dossier.

Joosyne Celis werd veroordeeld om naar de plaatselijke executieplaats gebracht te worden en daar aan een staak met vuur ter dood te worden gebracht. Ook haar bezittingen werden verbeurd verklaard ten voordele van de heer van Laarne, nadat de kosten van de rechtspleging ervan waren afgetrokken.

Diezelfde dag werd ook Paesschyne Neyts veroordeeld.

Joosyne werd vanuit Laarne naar het galgenveld gebracht en op 11 september 1607 op de brandstapel terechtgesteld. Daarmee eindigde het leven van een arme vrouw uit het Mageret die enkele weken eerder nog thuis garen zat te spinnen. Er is geen betrouwbaar bewijs dat Joosyne werkelijk aan hekserij deed. Wat wel bewaard is, zijn getuigenissen, beschuldigingen en vooral bekentenissen die verkregen werden in een rechtssysteem waarin foltering een wettelijk middel was om waarheid af te dwingen.

Dat maakt haar verhaal misschien net zo aangrijpend. We weten niet hoe haar stem klonk. We weten niet wat ze dacht toen men haar kwam halen. We weten zelfs niet exact hoe oud ze was. Maar we weten wel waar ze woonde, met wie ze getrouwd was, hoe ze haar brood verdiende, welke beschuldigingen tegen haar werden ingebracht, hoe ze bleef ontkennen, hoe ze uiteindelijk onder foltering bekende en op welke dag haar leven eindigde.

En dat alles gebeurde in amper een paar weken.