← De heksen van Laarne

Halte 10 van 12

Janne Callens

Voor Janne Callens stoppen we hier omdat haar exacte woning vandaag niet meer met zekerheid kan worden aangewezen. Historische bronnen plaatsen haar woonomgeving in het westelijke deel van Laarne, waar ze met haar tweede man, smid Michiel de Coene, leefde. Deze plek brengt ons dus zo dicht mogelijk bij haar dagelijkse leefwereld, zonder een huis aan te wijzen waarvoor geen hard bewijs bestaat.

Janne Callens
Janne Callens

Janne Callens

Janne Callens was 61 jaar oud toen haar proces in 1607 begon. Ze had twee keer gehuwd. Haar tweede echtgenoot was Michiel de Coene, een smid uit Laarne. Volgens de processtukken dronk hij geregeld, maakte hij vaak ruzie en liet hij Janne in 1587 zonder voldoende middelen achter. Ze moest een tijd bedelen om rond te komen. Later hield ze enkele koeien, verwerkte ze vlas en hielp ze soms als vroedvrouw bij bevallingen. Ze behoorde daarmee tot de armere inwoners van Laarne en had in het dorp geen bijzonder goede reputatie.

Janne kwam bovendien niet pas in 1607 in opspraak. Al op 5 december 1605 onderzocht het Leenhof van Laarne beschuldigingen tegen haar. Zes mannen en één vrouw beweerden dat ze mensen en dieren had betoverd. Uit hun verklaringen blijkt dat Janne toen in het openbaar al een toveres werd genoemd. Toch werd die zaak niet verdergezet. Waarom het Leenhof toen stopte, weten we niet.

Twee jaar later veranderde alles. In Overmere stond Maeyken van Cutsenroeye terecht voor hekserij. Tijdens haar ondervragingen noemde zij Janne Callens en Paesschyne Neyts als zogenaamde toveressen uit Laarne. Kort voor Maeyken op 16 augustus 1607 werd terechtgesteld, bevestigde ze die beschuldiging opnieuw. Het bericht bereikte het Leenhof van Laarne en op 18 augustus 1607 werd Janne gearresteerd. Ze ontkende alles.

Ze werd opgesloten in de gevangenis van het Kasteel van Laarne, maar wist met hulp van familie te ontsnappen. Op 22 augustus stelde de cipier vast dat haar cel leeg was. Janne bleef ongeveer drie weken op de vlucht. Uiteindelijk werd ze in Assenede opnieuw opgepakt en naar Laarne teruggebracht.

Ook na haar terugkeer bleef ze ontkennen dat ze met de duivel omging. Ze vertelde haar ondervragers zelfs dat het de engel Gabriël was die haar in haar ellende had getroost en dat Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel haar bij haar ontsnapping geholpen had. Ze smeekte om genade en beloofde boete te doen en op bedevaart naar Scherpenheuvel te gaan. De rechters lieten zich daar niet door overtuigen.

Janne werd vervolgens lichamelijk onderzocht op zogenaamde duivelstekens. De beul meende twee verdachte plekken te vinden. Getuigen herhaalden ondertussen hun verhalen over haar. Zo werd ze ervan beschuldigd koeien en kalveren te hebben betoverd door over hun rug te wrijven, waarna hun melk niet meer gebruikt kon worden om boter te karnen. Een man zou zwaar ziek zijn geworden nadat Janne hem op de rug had geklopt. Zulke toevalligheden en ongelukken werden in het proces als aanwijzingen voor toverij beschouwd.

Daarna kwam de foltering.

Op 20 september 1607 werd Janne aan de zogenaamde waakproef onderworpen. Ze werd bij een groot, heet vuur verhoord en mocht niet slapen. Volgens de historische reconstructies hield ze ongeveer twaalf uur stand. Uiteindelijk begon ze te bekennen en noemde ook zij namen van andere vermeende heksen. De bekentenissen die later als bewijs tegen haar werden gebruikt, kwamen dus pas nadat ze urenlang aan foltering was blootgesteld.

Opvallend is dat de historische studie van Véronique Lambert op één plaats 20 november vermeldt voor deze foltering. Dat kan onmogelijk kloppen, omdat Janne al op 2 oktober werd terechtgesteld. Andere reconstructies op basis van dezelfde processtukken geven 20 september 1607, wat chronologisch wel klopt.

Voor Janne was het proces daarna eigenlijk afgelopen. Ze had geen procureur die haar zaak juridisch verdedigde, in tegenstelling tot Josyne Luycx, die uiteindelijk werd vrijgesproken. De Laarnse processen tonen heel duidelijk hoe belangrijk geld en juridische verdediging konden zijn. Janne behoorde tot de armere beschuldigden en stond vrijwel alleen tegenover het gerecht.

Op 2 oktober 1607 veroordeelde het Leenhof van Laarne Janne Callens samen met Willemyne Sveermans tot de dood. Diezelfde dag werden ze terechtgesteld. Janne eindigde op de brandstapel. Haar goederen werden verbeurd verklaard.

Janne Callens werd eeuwenlang herinnerd als een van de “heksen van Laarne”. Maar uit de bewaarde processtukken blijkt geen bewijs dat zij werkelijk bovennatuurlijke krachten bezat of aan hekserij deed. Wat de bronnen wel tonen, is het leven van een oudere, arme vrouw met een slechte reputatie, tegen wie jarenlang geruchten circuleerden en die uiteindelijk terechtkwam in een rechtssysteem waarin beschuldigingen, angst en foltering samen voldoende konden zijn om iemand ter dood te brengen.