Halte 9 van 17
Meele Crotte
De geleerde portierster van het kasteel, kwakzalfster tot ver buiten de parochie.
Kortrijkdreef, 8980 Zonnebeke
De legende van Meele Crotte
In Beselare leefde ooit een heks die niet verborgen zat in een hut diep in het bos. Meele Crotte woonde dicht bij de macht.
Haar echte naam was Mele Wancourt. Haar vader Paulus was afkomstig uit Artesië en werkte als koetsier voor de markies van Beselare. Daardoor kreeg Meele een plaats op het kasteel zelf. Ze werd portierster van het kasteel van Beselare. Wie naar binnen wilde, moest dus eerst voorbij haar.
Bedelaars en arme mensen wisten dat maar al te goed. Wanneer de markies en markiezin afwezig waren en er iemand aan de poort om eten of hulp kwam vragen, stuurde Meele hen weg. Geen brood, geen geld, geen toegang. Volgens het verhaal deed ze dat telkens met dezelfde spottende woorden: "'t Es crotte!" Er is schaarste. Er is niets. En zo begon men haar uiteindelijk Meele Crotte te noemen.
Maar het was niet haar harde karakter alleen dat haar berucht maakte. Meele kende planten, kruiden, wortels en vooral vreemde gewassen die andere mensen liever niet aanraakten. Op en rond het kasteel had ze een grote kennis van kruiden en planten opgedaan. Later, toen ze alleen woonde, begon ze die kennis te gebruiken om zalfjes en drankjes te bereiden.
Mensen kwamen bij haar wanneer de gewone middelen niet hielpen. Tegen scheurbuik, verstopping, buikloop en wormen. Zelfs tegen etterende en ontstoken nagels maakte Meele haar eigen mengsels.
Maar het vreemdste groeide rond haar woning: paddenstoelen en zwammen. Meele kweekte er zoveel dat haar huis er volgens de verhalen door omringd raakte. Sommige werden vermalen, andere gingen in haar drankjes en van nog andere maakte ze zalf.
Eén plant kreeg een bijzonder grote reputatie: de zogenaamde Papenhoed. Boeren kwamen bij Meele omdat men geloofde dat het middel hun geiten gezond kon houden. Maar stilaan begon er iets mis te gaan. De dieren die door Meele behandeld werden, genazen niet allemaal. Integendeel. Er stierven geiten. Nog één. En nog één. Tot in Beselare gezegd werd dat Meele uiteindelijk meer geiten doodde dan ze er genas.
En dan verandert geneeskunde snel in toverij.
Als een dier na haar behandeling stierf, lag het niet aan ziekte. Het lag aan Meele. Als een drankje niet hielp, had zij het verkeerd bedoeld. Als kruiden konden genezen, zo redeneerde men, dan konden diezelfde kruiden misschien ook doden.
Zo werd de geleerde vrouw met haar plantenkennis langzaam de heks met haar vreemde brouwsels. Meele trok zich steeds meer terug en woonde uiteindelijk alleen. Maar haar kruiden bleven groeien, haar paddenstoelen bleven verschijnen en haar naam werd in Beselare steeds vaker met toverij verbonden.
Tot 13 december 1751. Meele Crotte stierf.
Maar zelfs toen was het verhaal niet gedaan. Want toen men haar dode lichaam onderzocht, ontdekte men iets. Een vreemd teken op haar huid. Een plek waarvan de mensen van Beselare maar één verklaring kenden: het duivelsteken. Het teken dat bewees dat de duivel haar had aangeraakt en dat Meele werkelijk tot hem behoorde.
Toen durfde men haar bezittingen niet zomaar laten staan. Haar woonst moest weg, haar kruiden moesten weg en vooral alles wat ze rondom haar huis had gekweekt, mocht niet blijven bestaan. Dus werd het verbrand.
Haar woning ging in de vlammen op. Haar vreemde planten verdwenen. Haar paddenstoelen verbrandden mee. Niemand wilde het risico nemen dat wat Meele Crotte daar had gekweekt, na haar dood verder zou groeien.
De vrouw was gestorven. Maar in Beselare bleef haar naam bestaan.
Meele Crotte, de heks van het kasteel, die wist welke planten konden genezen en van wie men uiteindelijk vreesde dat ze even goed wist welke planten konden doden.
Wie was Meele Crotte werkelijk?
Achter de heks Meele Crotte vinden we opnieuw aanwijzingen naar een echte vrouw.
Volgens de gegevens die de Beselaarse heemkundige Jozef Maes verzamelde, heette ze Mele Wancourt.
Haar vader heette Paulus Wancourt.
Hij was afkomstig uit Artesië, het gebied rond het huidige Noord-Frankrijk, en werkte als koetsier voor de familie Van der Woestine, de heren en later markiezen van Beselare.
Dat past in ieder geval binnen de geschiedenis van het dorp.
Het kasteel van Beselare bestond werkelijk en was eeuwenlang verbonden met de familie Van der Woestine. In 1705 werd Beselare tot markgraafschap verheven. De eerste markies was Maximiliaan Emmanuel Van der Woestine.
Mele zou dankzij de positie van haar vader op het kasteel als portierster hebben gewerkt.
Dat was geen onbelangrijke taak.
Een portierster bepaalde mee wie toegang kreeg tot het kasteel en wie aan de poort werd tegengehouden.
Volgens de overlevering moest Mele ook bedelaars wegsturen. Daaruit zou haar bijnaam zijn ontstaan. Wanneer er niets te krijgen was, zou ze gezegd hebben:
"'t Es crotte."
Of die uitspraak werkelijk letterlijk de oorsprong van haar bijnaam was, kunnen we vandaag niet meer bewijzen. Het is de verklaring die in de Beselaarse traditie werd doorgegeven.
Na haar periode op het kasteel zou Mele alleen zijn gaan wonen.
Daar hield ze zich bezig met planten en kruiden.
Dat gedeelte van haar verhaal is belangrijk.
In het historische overzicht van volkskundige G. Gyselen uit 1983 wordt ze niet beschreven als iemand die werkelijk toverde. Hij omschrijft haar als een alleenstaande vrouw die met planten en kruiden kwakzalverde.
Dat woord moeten we in zijn historische context begrijpen.
Voor gewone mensen waren dokters duur en medische kennis beperkt. Kruidenmiddelen, huisremedies en lokale genezers maakten daarom deel uit van het dagelijkse leven.
Wie veel wist over planten kon nuttig zijn.
Maar dezelfde kennis kon ook verdacht worden.
Een middel dat de ene patiënt hielp, kon bij iemand anders niets doen of zelfs gevaarlijk zijn. En wanneer een ziek dier na een behandeling stierf, was het voor mensen die sterk in betovering geloofden maar een kleine stap om niet de ziekte, maar de genezeres verantwoordelijk te stellen.
Daar lijkt ook de reputatie van Meele te zijn gegroeid.
De latere folklore maakt haar middelen heel concreet en vertelt dat ze drankjes en zalfjes bereidde tegen verschillende kwalen en dat boeren haar raadpleegden voor hun geiten.
Maar we moeten daar historisch voorzichtig mee zijn.
We hebben geen medisch receptenboek van Meele.
Geen lijst met remedies die door haarzelf werd geschreven.
En geen gerechtelijk dossier waarin haar behandelingen onderzocht werden.
Ook het beroemde duivelsteken dat na haar dood op haar lichaam zou zijn gevonden, behoort tot de legende. Ik vind geen historische procesbron die zo'n onderzoek bevestigt.
Wat wel zeer precies in de door Maes verzamelde gegevens wordt vermeld, is haar sterfdatum:
13 december 1751.
Ook bij Meele Crotte vinden we geen bekend heksenproces.
Geen bewezen veroordeling wegens hekserij.
Geen executie.
Volkskundige Gyselen merkt zelfs op dat de Beselaarse vrouwen uit deze verhalen, op één uitzondering na, volgens de overlevering een natuurlijke dood stierven.
Hij waarschuwt tegelijk dat we de levensgegevens van de tien Beselaarse heksen niet zomaar als volledig bewezen biografieën mogen behandelen. Hij schrijft dat we slechts kunnen redeneren vanuit de veronderstelling dat de door Jozef Maes verzamelde gegevens enigszins historisch betrouwbaar zijn.
Dat onderscheid is bij Meele heel belangrijk.
Een vrouw genaamd Mele Wancourt, dochter van Paulus, portierster op het kasteel, kruidenkenneres en gestorven op 13 december 1751, wordt in de oudere Beselaarse heemkundige traditie als de persoon achter Meele Crotte genoemd.
Maar de heks die dieren betoverde, een duivelsteken droeg en wier woning na haar dood moest worden verbrand, behoort tot het verhaal dat Beselare rond die vrouw heeft opgebouwd.
Misschien was haar grootste fout uiteindelijk helemaal geen hekserij.
Misschien wist Meele gewoon meer van planten dan de mensen rondom haar begrepen.
En in het Beselare van de achttiende eeuw kon het verschil tussen een vrouw met vreemde kennis en een heks soms bijzonder klein worden.